Quantcast
Ads by Muslim Ad Network









as-Saffat Farsi:: Ghodratollah Bakhtiari Nejad 

Ayat
37:1Ik zweer bij de engelen, die zich in orde scharen.
37:2En bij hen die de wolken voortdrijven en verspreiden.
37:3En bij hen, die den Koran lezen als eene vermaning,
37:4Waarlijk, uw Heer is eenig.
37:5De Heer van hemel en aarde en van alles wat daartusschen is, en de Heer van het Oosten.
37:6Wij hebben den ondersten hemel met het versiersel der sterrren getooid.
37:7En wij hebben daarin een wachter tegen iederen weerspannigen duivel geplaatst.
37:8Opdat zij niet luisteren naar het gesprek der verheven vorsten (want zij worden van alle zijden bestormd),
37:9En eene zware marteling is voor hen gereed gemaakt.
37:10Behalve hij, die een woord steelsgewijze opvangt, en door eene vlammende schicht wordt getroffen.
37:11Vraag daarom den bewoners van Mekka, of zij van nature sterker zijn dan de engelen welke wij hebben geschapen? Waarlijk wij hebben hen van harde klei geschapen.
37:12Gij verbaast u over Gods macht en hunne we
37:13Als zij gewaarschuwd worden, nemen zij geene waarschuwing aan.
37:14En als zij iets zien, spotten zij er mede.
37:15En zeggen: Dit is niet anders dan duidelijke tooverij.
37:16Nadat wij dood zullen wezen en tot stof en beenderen zijn geworden, zullen wij dan werkelijk tot het leven worden opgewekt.
37:17En onze voorvaderen ook?
37:18Antwoord: Ja! en dan zult gij veracht wezen.
37:19Er zal slechts eenmaal op de trompet worden geblazen, en zij zullen rond zien.
37:20En zullen zeggen: Wee over ons! Dit is de dag des oordeels.
37:21Dit is de dag der onderscheiding tusschen de rechtvaardigen en de zondaren, dien gij als eene leugen verwerpt.
37:22Verzamel degenen, die onrechtvaardig hebben gehandeld en hunne makkers, en de afgoden welke zij aanbaden.
37:23Naast God, en leidt hen op den weg der hel.
37:24En plaats hen voor Gods vierschaar; want zij zullen geroepen worden om rekenschap af te leggen.
37:25Wat deert u, dat gij elkander niet verdedigt?
37:26Maar op dien dag zullen zij zich aan Gods oordeel onderwerpen.
37:27En zij zullen elkander naderen en onder elkander twisten.
37:28En de verleiden zullen zeggen tot hen die hen hebben verleid: Waarlijk, gij kwaamt tot ons met voorspellingen van voorspoed.
37:29En de verleiders zullen antwoorden: Neen! gij waart veeleer geene ware geloovigen;
37:30Want wij hadden geene macht over u, om u te dwingen, maar gij hebt vrijwillig gezondigd.
37:31Daarom werd het vonnis van onzen Heer rechtvaardig over ons uitgesproken, en wij zullen zekerlijk zijne wraak proeven.
37:32Wij verleidden u, maar wij dwaalden ook zelven.
37:33Zij zullen op dezen dag dus beiden deelgenooten van dezelfde straf zijn.
37:34Zoo zullen wij met de zondaren handelen;
37:35Want toen er tot hen werd gezegd: Er is geen god buiten den waren God, bliezen zij zich op met hoogmoed.
37:36En zeiden: zullen wij onze goden voor een bezeten dichter verlaten?
37:37Neen! hij komt met de waarheid en legt getuigenis af voor de vroegere gezanten.
37:38Gij zult zekerlijk de pijnlijke martelingen der hel proeven.
37:39En gij zult niet vergolden worden, dan overeenkomstig uwe werken.
37:40Maar wat de oprechte dienaren Gods betreft.
37:41Zij zullen een zekeren voorraad in het paradijs hebben:
37:42Namelijk heerlijke vruchten, en zij zullen ge
37:43Zij zullen in tuinen des vermaaks geplaatst worden.
37:44Leunende in tegenover elkander geplaatste zetels.
37:45Een beker zal onder hen worden rondgereikt, gevuld aan eene heldere fontein;
37:46Een heerlijkheid voor hen, die er van zullen drinken.
37:47Het zal het verstand niet benevelen, en zij zullen er niet door bedwelmd worden.
37:48En nabij hen zullen de maagden van het paradijs liggen, hare blikken, behalve van hunne bruidegommen, van ieder een afwendende, hebbende groote, zwarte oogen,
37:49En gelijkende op de eieren van een struisvogel, zorgvol met vederen bedekt.
37:50En zij zullen zich tot elkander wenden, en elkander vragen doen.
37:51En een van hen zal zeggen: Waarlijk, ik had een vertrouwden vriend, terwijl ik op de wereld leefde.
37:52Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die de waarheid der opstanding betuigen?
37:53Nadat wij dood zullen zijn, en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk worden geoordeeld?
37:54Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt gij nederzien?
37:55En zij zullen nederzien en hem in het midden der hel ontwaren.
37:56En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak weinig aan, of gij hadt mij verdorven.
37:57En was het niet door de genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling overgeleverd geworden.
37:58Zullen wij een anderen dan onzen eersten dood sterven?
37:59Of ondergaan wij eenige straf?
37:60Waarlijk, wij genieten eene groote gelukzaligheid.
37:61Laten de arbeiders arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven.
37:62Is dit een beter onthaal, of de boom van al Zakkum?
37:63Waarlijk, wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de onrechtvaardigen
37:64Het is een boom die aan den bodem der hel ontspruit.
37:65De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van duivelen.
37:66De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne buiken daarmede vullen.
37:67Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en kokend water te drinken worden gegeven.
37:68Daarna zullen zij in de hel terugkeeren.
37:69Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren.
37:70En zij traden haastig in hunne voetstappen;
37:71Want het meerendeel der oude volken dwaalden v
37:72Wij zonden vroeger waarschuwers tot hen;
37:73Maar zie hoe ellendig het einde was van degenen, die gewaarschuwd werden.
37:74En die niet onze oprechte dienaren waren.
37:75Noach riep ons in vroegere dagen aan, en wij verhoorden hem genadiglijk.
37:76En wij bevrijdden hem en zijn gezin uit de groote ellende.
37:77Wij deden zijne nakomelingschap den zondvloed overleven, om de aarde te bevolken.
37:78En wij lieten hem de volgende begroeting door de verste nakomelingschap geven:
37:79Vrede zij op Noach onder alle schepselen!
37:80Zoo beloonen wij de rechtvaardigen.
37:81Want hij was een van onze dienaren, de ware geloovigen.
37:82Daarna verdronken wij de anderen.
37:83Abraham was mede van zijnen godsdienst;
37:84Toen hij met een volkomen hart tot zijn Heer kwam.
37:85Toen hij tot zijn vader en zijn volk zeide: Wat vreest gij?
37:86Kiest gij bij voorkeur valsche goden boven den waren God?
37:87Wat is dus uwe meening opzichtens den Heer aller schepselen?
37:88En hij beschouwde de sterren.
37:89En zeide: Waarlijk, ik zal ziek wezen en niet bij uwe offeringen tegenwoordig zijn.
37:90En zij keerden zich af en verlieten hem.
37:91En Abraham wendde zich in het geheim tot hunne goden, en zeide spottende tot hen: Eet gij niet van het vleesch dat u is voorgezet?
37:92Wat deert u, dat gij niet spreekt?
37:93En hij keerde zich tot hen, en sloeg hen met zijne rechterhand en vernietigde hen.
37:94En zijn volk kwam haastig tot hem.
37:95Hij zeide: Aanbidt gij de beelden die gij zelven snijdt?
37:96Terwijl God u heeft geschapen en ook datgene wat gij maakt.
37:97Zij zeiden: Richt een brandstapel voor hem op en werp hem in het gloeiende vuur.
37:98En zij smeedden eene list tegen hem. Maar wij deden hem het onderspit delven en bevrijdden hem.
37:99En Abraham zeide: Waarlijk, ik ga tot mijnen Heer , die mij zal richten.
37:100O Heer! geef mij eene rechtvaardige nakomelingschap.
37:101Daarom maakten wij hem bekend, dat hij een zoon zou bekomen, die een zachten aard zou hebben.
37:102En toen hij den ouderdom der jongelingschap had bereikt, en zich met hem in de verrichtingen van den godsdienst kon vereenigen. Zeide Abraham tot hem: O mijn zoon! waarlijk, ik zag in een droom, dat ik u als eene offerande zoude aanbieden. Overweeg dus wat gij meent, dat ik zal doen. Hij antwoordde: O mijn vader! doe wat u bevolen werd; indien het Gode behaagt, zult gij bevinden dat ik het lijdzaam zal ondergaan.
37:103En toen zij beiden zich aan den goddelijken wil hadden onderworpen, en Abraham zijn zoon voorover op het aangezicht had gelegd.
37:104Riepen wij hem toe: O Abraham!
37:105Gij hebt aan uw visioen geloofd. Zoo beloonen wij den rechtvaardige.
37:106Waarlijk, dit was eene duidelijke proef.
37:107En wij losten zijn zoon met een edel slachtoffer uit.
37:108En wij lieten hem de volgende groete door de verste nakomelingschap bewaren;
37:109Namelijk: Vrede zij op Abraham!
37:110Zoo beloonen wij den rechtvaardige;
37:111Want hij was een onzer geloovige dienaren.
37:112Wij verblijdden hem met de belofte van Iza
37:113En wij zegenden hem en Iza
37:114Wij waren ook vroeger genadig omtrent Mozes en A
37:115En wij bevrijdden hen en hun volk van eene groote ellende.
37:116Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren, en zij werden overwinnaars.
37:117Wij gaven hun het duidelijke boek der wet.
37:118Wij leidden hen op den rechten weg.
37:119En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hen bewaren;
37:120Namelijk: Vrede zij op Mozes en A
37:121Zoo beloonen wij de rechtvaardigen.
37:122Want zij waren twee onzer geloovige dienaren.
37:123En Elias was mede een dergenen, die door ons werden gezonden.
37:124Toen hij tot zijn volk zeide: Vreest gij God niet?
37:125Roept gij Baal aan, en verzaakt gij den uitmuntendsten schepper?
37:126God is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.
37:127Maar zij beschuldigden hem van bedrog.
37:128Weshalve zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de oprechte dienaren Gods
37:129En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hem bewaren.
37:130Namelijk: Vrede zij op Ilyasin!
37:131Zoo beloonen wij den rechtvaardige.
37:132Want hij was een onzer geloovige dienaren.
37:133En Lot was mede een dergenen, die door ons werden gezonden.
37:134Toen wij hem en zijn geheel gezin bevrijden.
37:135Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam met hen die achterbleven.
37:136Daarna verdelgden wij de anderen.
37:137En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist.
37:138En des nachts. Zult gij dan niet begrijpen?
37:139Jonas was mede een dergenen die door ons werden gezonden.
37:140Toen hij in een geladen schip vluchtte.
37:141En zij die aan boord waren, lootten onder elkander en hij werd veroordeeld.
37:142En de visch verzwolg hem; want hij had eene bestraffing verdiend.
37:143En indien hij niet eene ware geweest van hen die God loven.
37:144Waarlijk, dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den visch gebleven.
37:145En wij wierpen hem op het naakte strand, en hij was ziek.
37:146Wij deden een pompoenplant over hem heen groeien.
37:147Wij zonden hem daarna tot een volk van honderdduizend zielen of meer.
37:148En zij geloofden: daarom lieten wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten.
37:149Vraag aan de bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben?
37:150Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht geschapen, en waren zij er getuigen van?
37:151Zeggen zij niet, volgens hunne eigene, valsche uitvinding:
37:152God heeft eene nakomelingschap gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars?
37:153Heeft hij bij voorkeur dochters boven zonen verkozen?
37:154Gij hebt geene reden aldus te oordeelen.
37:155Wilt gij dus niet vermaand wezen?
37:156Of hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt?
37:157Brengt thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid spreekt.
37:158En zij maken hem tot een verwante der geniussen, terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart, aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd.
37:159(God is verheven, boven datgene wat zij nopens hem verklaren):
37:160Maar niet Gods oprechte dienaren.
37:161Maar gij en de goden, welke gij aanbidt,
37:162Zullen niemand nopens God verleiden.
37:163Behalve hem die bestemd is om in de hel verbrand te worden.
37:164Er is niemand van ons, of hij heeft een bestemde plaats.
37:165Wij scharen ons in orde,
37:166Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken lof.
37:167De ongeloovigen zeiden:
37:168Indien wij door een boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van diegene welke aan de ouden werden geschonken.
37:169Zouden wij zeker oprechte dienaren Gods zijn geweest;
37:170Maar thans, nu de Koran is geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij het gevolg van hun ongeloof kennen.
37:171Ons woord werd vroeger aan onze dienaren, de gezanten, gegeven.
37:172Dat zij zekerlijk tegen de ongeloovigen zouden ondersteund worden,
37:173En dat onze legers de overwinning zouden behalen.
37:174Wend u dus gedurende eenen tijd van hen af.
37:175En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien.
37:176Trachten zij daarom onze wraak te verhaasten?
37:177Waarlijk, wanneer die in hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd.
37:178Wend u dus voor eenigen tijd van hen af.
37:179Hierna zullen zij uwe overwinning en hunne straf ontwaren.
37:180Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren!
37:181Vrede zij op zijne gezanten.
37:182En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!



Share this Surah Translation on Facebook...